top of page

BLOG

RECENT

Nieuwsbrief: Startpunt 2026

  • Foto van schrijver: fedacc
    fedacc
  • 3 dagen geleden
  • 32 minuten om te lezen

 

Startpunten voor de ondernemer

 

Minder zelfstandigenaftrek

 

Net als in 2025 wordt ook dit jaar de zelfstandigenaftrek verder afgebouwd. De aftrek bedraagt in 2026 slechts € 1.200 (in 2025: € 2.470). In 2027 moet de zelfstandigenaftrek zijn teruggebracht naar € 900. U komt in beginsel voor deze aftrek in aanmerking als u:

·       jonger bent dan de AOW-gerechtigde leeftijd én

·       ten minste 1.225 uren én

·       50% van uw totale arbeidstijd aan werkzaamheden voor uw onderneming besteedt.

 

Heeft u aan het begin van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt en voldoet u aan het urencriterium, dan heeft u recht op 50% van de aftrek.

 

Tip

Zorg dat u regelmatig een urenspecificatie van de werkzaamheden voor uw onderneming bijhoudt, zodat u eenvoudig aannemelijk kunt maken dat u aan het urencriterium heeft voldaan.

 

Meer S&O-aftrek

 

Innovatieve investeringen worden gestimuleerd met de regeling speur- en ontwikkelingswerk (S&O-werk). Via deze regeling kunt u een deel van de S&O-kosten terugkrijgen. Het bedrag van de maximale S&O-aftrek is verhoogd van € 15.738 (in 2025) naar € 15.979. U komt voor de S&O-aftrek in aanmerking als u aan het urencriterium (in beginsel minimaal 1.225 uren besteed aan uw onderneming) heeft voldaan en ten minste 500 uur heeft besteed aan speur- en ontwikkelingswerk, waarvoor de RVO een S&O-verklaring heeft afgegeven.

Bent u een startende ondernemer? Dan wordt het bedrag van de S&O-aftrek verhoogd met € 7.996 (in 2025: € 7.875). U kwalificeert als startende ondernemer als u in 1 of meer van de 5 voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was én voor maximaal 2 van de 5 voorafgaande kalenderjaren een S&O-verklaring heeft gekregen.

 

Aftrek gemengde kosten

 

Er zijn kosten die u voor uw onderneming maakt, maar waarin ook een privé-element zit. Dit zijn de gemengde kosten. Hieronder vallen de kosten voor voedsel, drank en genotmiddelen, representatiekosten en de kosten voor congressen, seminars, symposia, excursies en studiereizen.

Gemengde kosten zijn pas aftrekbaar voor de inkomstenbelasting als een drempelbedrag wordt overschreden. Dit drempelbedrag wordt normaliter jaarlijks geïndexeerd, maar dit jaar is daarvan afgezien. Het bedrag is € 5.700 net als in 2025.

Maar er is ook een alternatief. U mag er namelijk ook voor kiezen om 80% van de gemengde kosten in aftrek te brengen.

 

Hoger drempelbedrag bedrijfsmiddelen in gemengd gebruik

 

Heeft u bedrijfsmiddelen die u zowel voor privé- als voor bedrijfsdoeleinden gebruikt? Als die bedrijfsmiddelen een waarde van € 100.000 of meer hebben, komen deze sinds 1 januari 2025 slechts in aanmerking voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting en de doorschuifregeling aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting voor zover ze voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt. Bovengenoemd drempelbedrag wordt jaarlijks geïndexeerd en is in 2026 verhoogd naar € 103.000.

 

 

Geen negatieve winst meer door EIA en MIA

 

In 2025 was het mogelijk om met behulp van de milieu-investeringsaftrek (MIA) of de energie-investeringsaftrek (EIA) een negatieve winst te realiseren. Vanaf 2026 is dat niet meer mogelijk doordat de aftrek is gemaximeerd tot de daadwerkelijk gemaakte winst. De niet-gerealiseerde EIA of MIA wordt in de daaropvolgende negen jaren verrekend door in die jaren een verhoging van de EIA of MIA in aanmerking te nemen. Die verhoging bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de MIA of EIA van dat jaar overtreft. De niet-gerealiseerde EIA of MIA in een volgend jaar wordt bij beschikking vastgesteld, waartegen u bezwaar kunt maken. De inspecteur geeft de beschikking af gelijktijdig met de aanslag over het jaar waarin de niet-gerealiseerde MIA of EIA wordt verrekend. Het bedrag van de niet-gerealiseerde MIA of EIA wordt apart vermeld op het aanslagbiljet.

 

Doe tijdig opgave uitbetaalde bedragen aan derden

 

Bent u ondernemer en heeft u geen personeel (u heeft dus geen loonheffingennummer) en heeft u een uitnodiging van de Belastingdienst ontvangen om gegevens van uitbetaalde bedragen aan derden over 2025 te verstrekken? Dan bent u verplicht deze gegevens (zonder BSN!) aan te leveren. Heeft u geen uitnodiging daartoe gehad, dan mág u de gegevens over uitbetaalde bedragen aan derden aanleveren bij de Belastingdienst. Het betreft de volgende gegevens:

·       het bedrag dat u heeft uitbetaald;

·       de datum waarop u het bedrag heeft uitbetaald;

·       naam, adres en geboortedatum van de persoon aan wie u het bedrag heeft uitbetaald.

 

Het gaat vooral om betalingen die doorgaans tot het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden behoren. Uitgezonderd zijn met name betalingen aan werknemers, artiesten, beroepssporters, vrijwilligers en personen die een btw-factuur hebben uitgereikt. Gegevens over personen die facturen zonder btw uitreiken of geen facturen uitreiken of facturen met btw verlegd, moet u dus wel aanleveren. 

De gegevens over 2025 levert u uiterlijk 31 januari 2026 digitaal aan bij de Belastingdienst. U hebt daartoe twee mogelijkheden: via het gegevensportaal of via Digipoort.

 

Doe tijdig suppletieaangifte bij fout in btw-aangiften 2025

 

Heeft u een fout ontdekt in uw btw-aangiften 2025? Dan moet u zo spoedig mogelijk een suppletieaangifte indienen, maar uiterlijk binnen 8 weken nadat u de fout heeft ontdekt. Na deze termijn kan de Belastingdienst een boete opleggen. Naast de termijn van 8 weken is voor het indienen van een suppletieaangifte nog steeds van belang dat u deze aangifte doet voordat u weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de desbetreffende fout bekend is of zal zijn.

 

Tip

Bedragen tot € 1.000 mag u verrekenen in de eerstvolgende btw-aangifte. Hiervoor hoeft u dus geen suppletieaangifte in te dienen.

 

Let op btw-deadlines bij onroerende zaken

 

Heeft u bij de koop of verkoop van een onroerende zaak ervoor gekozen om btw-belast te leveren? In dat geval moet de koper binnen vier weken na afloop van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarin het pand aan hem/haar is geleverd, een schriftelijke verklaring uitreiken aan de verkoper en de Belastingdienst. Daaruit moet blijken dat de koper het pand in beide jaren ook feitelijk voor 90% (soms 70%) of meer voor belaste prestaties heeft gebruikt. Bij een belaste levering in 2024 moet dat dus uiterlijk gebeuren vóór 29 januari 2026.

 

Belaste verhuur

Bij belaste verhuur van een onroerende zaak moet de huurder die niet meer aan het 90%- (soms 70%-)criterium voldoet, dit binnen vier weken na afloop van het jaar melden bij de verhuurder en bij de Belastingdienst.

 

Bezwaar en beroep tegen nihilaangifte

 

In de btw-aangifte wordt de verschuldigde btw verminderd met de betaalde btw. Een positief saldo leidt tot een voldoening op aangifte en bij een negatief saldo krijgt u een teruggaafbeschikking. In beide gevallen heeft u een rechtsingang voor bezwaar en beroep, als u het niet eens bent met de uitkomst. Het saldo kan ook uitkomen op nihil. U hoeft niets te betalen en u krijgt ook niets terug. Tot 2026 was het niet duidelijk welke rechtsingang u dan heeft voor bezwaar en beroep als u het niet eens bent met de nihilaangifte. Sinds 1 januari jl. is de rechtsingang ‘voldoening op aangifte’ uitgebreid met ‘voldoening van nihil’. Zodoende begint de bezwaartermijn (zes weken) bij een ‘voldoening van nihil’ op de dag na afloop van de betalingstermijn. Een bezwaar (en beroep) kan leiden tot op aangifte voldane btw of tot teruggaaf van niet afgetrokken voorbelasting.

 

Loket gewijzigde AanZET-subsidie 2026 opent

 

Overweegt u om een elektrische vrachtauto aan te schaffen? Maak dan gebruik van de Aanschafsubsidieregeling zero-emissie trucks (AanZET). Deze razend populaire subsidieregeling wordt ook in 2026 twee keer opengesteld. De eerste aanvraagronde start op 27 januari 2026 om 9.00 uur en loopt tot en met 13 februari 2026. De subsidie is bedoeld voor de aankoop of (financial) lease van een nieuwe uitstootvrije vrachtauto en is een percentage van de verkoopprijs. Die prijs wordt vanaf 2026 berekend inclusief af-fabriekopties en exclusief btw en de opbouw op het bakwagenchassis. Het percentage is afhankelijk van het type vrachtauto en de grootte van uw bedrijf. Voor middelgrote ondernemingen varieert het subsidiepercentage tussen 12% (maximale subsidie € 29.900) en 21% (maximale subsidie € 83.200). Bij kleine en non-profitorganisaties varieert het subsidiepercentage tussen 14,8% (maximale subsidie € 36.900) en 29% (maximale subsidie € 115.200). In het geval van lease moet de leasemaatschappij de subsidie aanvragen.

 

Andere wijzigingen

Naast de verkoopprijs is ook de aanvraagprocedure gewijzigd. U kunt op zowel de eerste als de tweede werkdag van de aanvraagperiode één aanvraag indienen voor ten hoogste twee emissieloze vrachtauto’s. Vanaf de derde werkdag kunt u één aanvraag per werkdag indienen voor de aanschaf van ten hoogste tien emissieloze vrachtauto’s.

Als de subsidie is verleend heeft u 12 maanden de tijd om de subsidievaststelling aan te vragen. Daarbij geeft u het kenteken door, nadat de vrachtauto op kenteken is gezet. Daarbij moet u een gespecificeerde betalingsfactuur meesturen. Het is verstandig om na de subsidieverlening zo snel mogelijk tot aanschaf over te gaan, zodat de vrachtwagen tijdig wordt geleverd. Uitstel aanvragen kan sinds 1 januari 2026 alleen nog met een verklaring van het opbouwbedrijf, waarin het chassisnummer van de vrachtwagen staat. 

 

TipWaarschijnlijk is – net als in voorgaande jaren – de subsidiepot al binnen enkele dagen leeg! Zorg dus dat u de aanvraag tijdig voorbereid. Vanaf 21 januari 2026 kunt u de conceptaanvraag al klaarzetten!

 

Vraag subsidie aanleg laadinfrastructuur aan

 

Overweegt u om een laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen aan te laten leggen op uw eigen terrein? Weet dan dat u daarvoor subsidie kunt aanvragen. Als u een terrein deelt met andere ondernemers of ingeval van een gehuurd terrein, kunt u ook van deze subsidiekans gebruikmaken. Het aanvraagloket voor deze Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij bedrijven (SPRILA aanschaf) gaat op 20 januari 2026 open. Maar sinds 7 januari jl. kunt u al wel uw conceptaanvraag klaarzetten, zodat u op 20 januari a.s. uw aanvraag direct om 9.00 uur kunt indienen.

Een belangrijke voorwaarde is dat het bedrijventerrein niet altijd publiek toegankelijk mag zijn. De laadinfrastructuur kan bestemd zijn voor uw eigen elektrische voertuigen en voor voertuigen van uw klanten en medewerkers.

Een belangrijke wijziging ten opzichte van 2025 is dat er geen maximum van € 350.000 per aanvrager meer geldt. Om het tijdstip te bepalen waarop u uw aanvraag moet indienen bij de RVO, moet u eerst met een rekentool vaststellen of u in aanmerking komt voor meer of minder dan € 25.000 subsidie. In het eerste geval dient u de aanvraag in met een niet-ondertekende offerte, voordat u de opdracht geeft en werkzaamheden laat uitvoeren. Let op: de RVO beschouwt een ondertekende offerte als een gegeven opdracht! Komt u in aanmerking voor minder dan € 25.000 subsidie? Dan dient u de aanvraag ná de werkzaamheden in. De termijn hiervoor is in 2026 verruimd ten opzichte van 2025, namelijk in hetzelfde kalenderjaar als waarin de werkzaamheden plaatsvinden of binnen 13 weken na de datum waarop de werkzaamheden klaar zijn.

 

Geen SPRILA advies meer

In 2025 kon u ook subsidie krijgen tot maximaal 50% van de advieskosten van een externe adviseur voor de aanleg van een laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen. Deze subsidie is in 2026 vervallen.

 

Deadline rapportageplicht digitale platforms nadert

 

Exploitanten van een digitaal platform die in Nederland gevestigd zijn of Nederlandse gebruikers faciliteren, zijn verplicht om jaarlijks informatie te verzamelen en aan te leveren bij de Belastingdienst over verkopers of verhuurders die via hun platform inkomsten verwerven. Heeft u een dergelijk digitaal platform? Dan moet u de verzamelde gegevens over 2025 uiterlijk op 31 januari 2026 aanleveren bij de Belastingdienst. De gerapporteerde gegevens kunnen worden gebruikt voor zowel de inkomstenbelasting als de btw. Niet voldoen aan deze rapportageplicht leidt tot hoge boetes.

 

Welke platformen precies?

De rapportageverplichting geldt voor u als u uw digitale platform ter beschikking stelt aan verkopers om commerciële activiteiten te verrichten. Het begrip commerciële activiteiten is ruim geformuleerd en omvat de verhuur van onroerende goederen, persoonlijke diensten, de verkoop van goederen, de verhuur van vervoermiddelen en beleggingsdiensten. Niet alle activiteiten op een platform vallen binnen de reikwijdte van deze rapportageplicht. Uw platform valt in principe niet onder de rapportageverplichting als uw platform uitsluitend advertenties plaatst, gebruikers doorverwijst naar een platform of betalingen verwerkt.

 

Nieuwe rapportageplicht cryptodienstverleners

 

Vanaf 2026 zijn aanbieders van cryptoactivadiensten verplicht om jaarlijks relevante informatie te verstrekken aan hun nationale belastingautoriteit, die deze gegevens deelt met andere lidstaten. De informatieverplichting heeft betrekking op personalia, waarde van de cryptoactiva per kalenderjaar en op overdrachten van cryptovaluta en wisseltransacties. Met deze informatie kan de Belastingdienst vijf jaar navorderen als de cryptovaluta in het verleden niet zijn aangegeven. Die termijn kan tot twaalf jaar worden opgerekt als deze bezittingen in het buitenland zijn opgekomen of gehouden.

 

 

 

 

 

Startpunten voor de DGA

 

Voorkom bijbetaling vennootschapsbelasting 

 

Laat een reële inschatting maken van de verschuldigde vennootschapsbelasting in 2026, zodat de Belastingdienst niet een te lage voorlopige aanslag voor de vennootschapsbelasting oplegt aan uw bv. Als uw bv na afloop van het jaar vennootschapsbelasting blijkt te moeten bijbetalen, loopt zij het risico daarover 7,5% (in 2025: 9%) belastingrente in rekening gebracht te krijgen. Laat ook controleren of uw bv over 2025 voldoende vennootschapsbelasting heeft betaald. Misschien heeft uw bv het beter gedaan dan u begin 2025 had verwacht en is de winst over 2025 toch hoger uitgevallen. Laat uw adviseur dan bij de Belastingdienst om een aanvullende voorlopige aanslag verzoeken.

 

Verhoging grensbedrag eerste tariefschijf

 

Box 2 kent twee tariefschijven. De eerste schijf met een tarief van 24,5% geldt vanaf 1 januari 2026 voor een box-2-inkomen (bijvoorbeeld dividenden of de winst bij verkoop van uw aanmerkelijkbelangaandelen) tot € 68.843 (in 2025: € 67.804). Heeft u een fiscaal partner? Dan geldt het lage box-2-tarief tot € 137.686 bij een gelijke verdeling tussen u en uw partner. Het tarief van de tweede schijf is 31%.

 

Benut tijdig overgangsrecht fonds voor gemene rekening

 

Een fonds voor gemene rekening (fgr) is een overeenkomst tussen meestal een beheerder van het fonds, een bewaarder van het fonds en participanten in het fonds. Die participanten brengen geld of vermogen in het fonds in, waarvoor zij participaties krijgen in het fonds. Het fonds belegt met het ingebrachte geld en vermogen. Voor elke participatie krijgt de participant een deel van de opbrengst van de beleggingen. Tot 1 januari 2025 waren er twee soorten fondsen voor gemene rekening: een besloten fgr en een open fgr. Een besloten fonds was niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (Vpb) en een open fgr was dat wel. Sinds vorig jaar is de definitie van een fgr gewijzigd. Daardoor kan het zijn dat een fgr dat tot en met 2024 niet zelfstandig belastingplichtig was voor de vennootschapsbelasting, kortstondig belastingplichtig wordt. Om dit te voorkomen kunnen deze fondsen ervoor kiezen om met ingang van 1 januari 2025 alsnog tijdelijk niet als fgr te worden aangemerkt. Dit geldt ook voor een fgr dat op of na 1 januari 2025 is opgericht. Alle participanten moeten hiermee uiterlijk 28 februari 2026 instemmen. Dit overgangsrecht voorkomt dat de betrokken fondsen in 2025 en 2026 slechts korte tijd zelfstandig belastingplichtig zijn. De overgangsregeling geldt tot uiterlijk 2028.

 

Gebruikelijk loon 2026

 

U moet als aanmerkelijkbelanghouder (5% of groter aandelenbelang) ten minste een gebruikelijk loon opnemen voor het werk dat u voor uw bv verricht. Het gebruikelijk loon wordt in beginsel vastgesteld op het hoogste bedrag uit de volgende reeks bedragen:

·       het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;

·       het hoogste loon van werknemers in dienst van de vennootschap of daarmee verbonden vennootschappen; of

·       € 58.000 (in 2025: € 56.000)

 

Kunt u aannemelijk maken dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan het loon van de meestverdienende werknemer of € 58.000? Dan stelt u het loon vast op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.

 

Vraag voorlopige verliesverrekening aan

 

Als uw bv in 2025 verlies heeft geleden, kunt u een verzoek doen om voorlopige verliesverrekening zodra de aangifte vennootschapsbelasting 2025 is ingediend. U kunt dan alvast 80% van het verlies verrekenen met winsten uit eerdere jaren. Dit levert uw bv een liquiditeitsvoordeel op. Zij kan immers eerder beschikken over een te verwachten belastingteruggaaf. De voorlopige verliesverrekening wordt later verrekend met de definitieve verliesverrekening.

 

Aftrekbeperking gemengde kosten gewijzigd

 

Kosten die u voor uw onderneming maakt, kunnen ook een privé-element bevatten. Heeft uw bv één of meer werknemers in dienst? Dan is de aftrek van deze gemengde kosten beperkt. De aftrekbeperking geldt voor de kosten voor voedsel, drank en genotmiddelen, representatiekosten en voor de kosten van congressen, seminars, symposia, excursies en studiereizen. Maar vormen deze kosten belastbaar loon voor uw werknemer(s), dan zijn ze integraal aftrekbaar. Zijn de kosten geen belastbaar loon, dan zijn ze pas aftrekbaar als een drempelbedrag wordt overschreden. Sinds 1 januari 2026 is dit drempelbedrag € 5.700. Als 0,4% van het belastbaar loon van uw werknemer(s) hoger is dan dit bedrag, geldt het hogere bedrag als niet-aftrekbaar drempelbedrag. Dit loonbegrip is per 1 januari 2026 aangepast vanwege de samenloop van de aftrekbeperking met de werkkostenregeling. Voor het bepalen van het bedrag aan gemengde kosten dat in aftrek wordt beperkt, wordt nu aangesloten bij het loon waarover ten laste van de betreffende werknemers daadwerkelijk loonbelasting wordt ingehouden. Tot en met 2025 werd ook rekening gehouden met vergoedingen en verstrekkingen die onder de werkkostenregeling vielen. Bent u een werkgever die door de 0,4%-regeling boven het drempelbedrag van € 5.700 uitkomt? Dan kunt u in 2026 mogelijk meer gemengde kosten aftrekken dan voorheen.

 

Tip

Uw bv kan ook gebruikmaken van een alternatief. Zij mag dan 73,5% van de werkelijk gemaakte gemengde kosten in aftrek brengen.

 

Startpunten voor werkgevers en werknemers

 

Hogere thuiswerkvergoeding

 

De gerichte vrijstelling voor de thuiswerkvergoeding is verhoogd. Deze onbelaste vergoeding gaat van € 2,40 per dag omhoog naar € 2,45 per dag. Let op: wanneer uw werknemer op een dag zowel thuis als op een vaste werkplek werkt, mag u niet én de gerichte vrijstelling voor reiskosten woon-werkverkeer (maximaal € 0,23) én die voor thuiswerkkosten toepassen.

 

Meer bijtellen voor elektrisch rijden

 

De bijtelling voor het rijden in een nieuwe elektrische auto van de zaak is verhoogd van 17% naar 18% over de eerste € 30.000 catalogusprijs van de auto en 22% over het meerdere. Volgend jaar gaat de bijtelling naar 20% en in 2028 naar 22% voor alle nieuwe elektrische auto’s van de zaak. Er wordt dan geen onderscheid meer gemaakt tussen elektrische auto’s en auto’s op fossiele brandstof. Eerst zou het lagere bijtellingspercentage over de eerste € 30.000 catalogusprijs al per 1 januari 2026 vervallen. Maar dat is gewijzigd bij de stemming in de Tweede Kamer over het Belastingpakket 2026.

 

Nog een jaar boetevrij rijden in fossiele auto van de zaak

 

Een van de maatregelen om het elektrisch rijden te stimuleren betreft de auto van de zaak die de werknemer privé voor meer dan 500 km gebruikt. Stelt u als werkgever vanaf 2027 een personenauto op fossiele brandstof (niet volledig emissievrij) ter beschikking aan een werknemer, dan moet u 12% loonbelasting betalen over de catalogusprijs van de ter beschikking gestelde fossiele personenauto. Voor personenauto’s ouder dan 25 jaar wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. Nieuw is dat in deze regeling onder privégebruik ook het woon-werkverkeer wordt verstaan. U mag deze zogenoemde ‘pseudo-eindheffing’ niet verhalen op de werknemer. Deze maatregel geldt alleen voor niet volledig emissievrije personenauto’s van de zaak en niet voor bestelauto’s. Naast de pseudo-eindheffing die u betaalt, moet u loonbelasting over de bijtelling inhouden op het loon van de werknemer.

Omdat ondernemers in de inkomstenbelasting niet onder de loonheffing vallen, krijgen zij niet te maken met de pseudo-eindheffing wanneer zij in een niet geheel emissievrije auto van de zaak rijden.

 

Overgangstermijn

Voor fossiele personenauto’s die vóór 2027 ter beschikking zijn gesteld, geldt een overgangstermijn tot 17 september 2030. Wilt u dit jaar nog niet over op elektrisch rijden? Dan heeft u nog een klein jaar de tijd om uw fossiele wagenpark te vervangen om optimaal gebruik te maken van de overgangstermijn.

 

Vergoeden werkelijke ETK-kosten of 30%-regeling?

 

Werknemers die vanuit een ander land naar Nederland komen om te werken, krijgen vaak een vergoeding voor de extra kosten van verblijf buiten hun land van herkomst. Dit zijn de zogenoemde extraterritoriale kosten (ETK-kosten). U kunt de werkelijke ETK-kosten vergoeden op declaratiebasis of op basis van de 30%-regeling. In het eerstgenoemde geval moet u de kosten aannemelijk maken. U moet de kosten en de vergoeding per werknemer bijhouden. Bij toepassing van de 30%-regeling mag u – onder voorwaarden – zonder bewijs maximaal 30% van het loon onbelast vergoeden. U moet jaarlijks in het eerste loontijdvak van het kalenderjaar, waarin u de ETK-kosten vergoedt voor het hele kalenderjaar kiezen voor een van beide regelingen. Een uitzondering geldt voor de eerste vier maanden van het eerste jaar van de tewerkstelling.

 

Hoe werkt dit?

Stel dat de ingekomen werknemer per 1 maart 2026 bij u komt werken. U doet binnen vier maanden de aanvraag voor de 30%-regeling. U krijgt dan een 30%-beschikking van de Belastingdienst die terugwerkt tot 1 maart 2026. Tot 1 juli 2026 mag u dan per loontijdvak kiezen of u de ETK-kosten op declaratiebasis wilt vergoeden of op basis van de 30%-regeling. Vanaf de vijfde maand (juli) maakt u een keuze voor de rest van het kalenderjaar. Vanaf 2027 kiest u volgens de hoofdregel per kalenderjaar.

 

Hoger maximumbijdrageloon maar lager premiepercentage Zvw 

 

U betaalt over het loon van uw werknemers meestal de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (Zvw). In bepaalde gevallen betaalt de werknemer zelf een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, die u dan inhoudt op het nettoloon. Dat geldt bijvoorbeeld voor pseudo-werknemers (opting-in), maar ook voor dga’s (bestuurders van hun bv) die niet verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De heffing of bijdrage wordt berekend over het loon van de werknemer tot een bepaald maximum. Het maximumbijdrageloon is in alle gevallen gelijk en is in 2026 verhoogd naar € 79.409 (in 2025: € 75.864). Het percentage van de werkgeversheffing Zvw is verlaagd van 6,51% in 2025 naar 6,10% in 2026. Het percentage werknemersbijdrage Zvw bedraagt 4,85% in 2026 (in 2025: 5,26%).

 

Inhouding nominale premie Zvw op minimumloon

Op het verbod op inhoudingen op het minimumloon worden enkele uitzonderingen toegestaan, mits u aan de voorwaarden voldoet. Een van die uitzonderingen betreft de zorgverzekeringspremie. U mag met een schriftelijke machtiging van de werknemer de kosten voor de zorgverzekering op het uit te betalen minimumloon inhouden tot maximaal het bedrag van de gemiddelde nominale premie die een verzekerde voor de zorgverzekering betaalt. In 2026 is dat € 2.098,80 per jaar oftewel € 174,90 per maand.

 

Eindheffing bestelauto van de zaak geïndexeerd

 

Stelt u een (bestel)auto ter beschikking aan uw werknemer, dan moet u rekening houden met een bijtelling voor privégebruik. Deze bijtelling kunt u voor bepaalde bestelauto’s onder voorwaarden afkopen. U betaalt dan een eindheffing per bestelauto per jaar. Deze eindheffing wordt jaarlijks geïndexeerd en bedraagt nu € 451 (in 2025: € 438) ofwel € 37,58 per maand.

U mag deze eindheffing toepassen als de bestelauto vanwege de aard van de werkzaamheden doorlopend afwisselend wordt gebruikt door twee of meer werknemers en het daardoor moeilijk vast te stellen is of, en aan wie de bestelauto voor privégebruik ter beschikking is gesteld.

 

RVU-regeling voortgezet en drempelvrijstelling verhoogd

 

Bent u van plan om werknemers vervroegd met pensioen te laten gaan met toekenning van een ontslagvergoeding? Dan betaalt u in beginsel een strafheffing boven op de loonbelasting en premies die u moet inhouden en afdragen. U kunt echter onder voorwaarden gebruikmaken van een vrijstelling van deze strafheffing. De vrijstelling is een drempelvrijstelling in de zogenoemde Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU). De RVU zou eind 2025 eindigen, maar dat is teruggedraaid. De regeling wordt toch voortgezet met een verhoogde drempelvrijstelling van maximaal € 2.357 (in 2025: € 2.273) bruto per maand. Om de RVU toegankelijker te maken voor werknemers met een laag inkomen of weinig aanvullend pensioen (in knellende situaties), kunt u als werkgever boven op deze basis RVU-uitkering € 300 bruto per maand extra meegeven. De RVU-drempelvrijstelling wordt dan € 2.657. Cao-partijen moeten daar dan afspraken over maken wie van de RVU gebruik kan maken. De regeling geldt namelijk voortaan alleen voor mensen in fysiek of mentaal belastende beroepen. Over het extra bedrag betaalt u als werkgever geen extra belasting.

Betaalt u meer dan de drempelvrijstelling, dan betaalt u alleen over het hogere bedrag de strafheffing. De hoogte van de basis RVU-uitkering is gekoppeld aan de AOW-uitkering van de werknemer en omvat maximaal een periode van 36 maanden eindigend bij de AOW-leeftijd van de werknemer. Maakt de werknemer korter dan 36 maanden gebruik van de RVU-regeling? Dan mag het basismaandbedrag dus hoger zijn, zolang u maar binnen het totale budget blijft van 36 x het maandbedrag. Tot slot wordt de strafheffing stapsgewijs verhoogd: van 52% naar 57,7% in 2026, 64% in 2027 en 65% in 2028.

 

Let op

Voor werknemers die vóór het moment van invaren van de pensioenregeling (het omzetten van opgebouwde pensioenrechten naar het nieuwe pensioenstelsel) met RVU gaan (en daarmee dus uit dienst zijn) is er wellicht géén pensioencompensatie. Het is belangrijk dat u als werkgever de betreffende werknemer(s) hier actief op wijst.

 

Deadline nadert renseigneringsplicht betalingen aan derden

 

U bent als werkgever verplicht om gegevens over betalingen aan derden te verstrekken aan de Belastingdienst. Uitgezonderd zijn betalingen aan werknemers, artiesten, beroepssporters, vrijwilligers en personen die een btw-factuur hebben uitgereikt. Gegevens over personen die facturen zonder btw uitreiken of geen facturen uitreiken of facturen met btw verlegd, moet u dus wél aanleveren. U levert de volgende gegevens aan:

·       het BSN, de naam, het adres en de geboortedatum van de ontvanger van de betalingen;

·       de in het kalenderjaar uitbetaalde bedragen; en

·       de data waarop de betalingen zijn gedaan.

 

Ook kostenvergoedingen moet u vermelden. Deze gegevens en inlichtingen moet u jaarlijks uiterlijk verstrekken op 31 januari na afloop van het kalenderjaar, waarop de informatie betrekking heeft. De gegevens over de uitbetalingen aan derden over 2025 moet u dus uiterlijk 31 januari 2026 hebben aangeleverd. Dat kan digitaal via het gegevensportaal of via Digipoort.

 

Maximum transitievergoeding verhoogd

 

Het wettelijk maximum voor de transitievergoeding wordt jaarlijks bijgesteld. Het maximum is voor 2026 vastgesteld op € 102.000 (in 2025: € 98.000). Dat wil zeggen bruto € 102.000 of één bruto jaarsalaris als dat hoger is.

 

Loket subsidie arbeidsondersteunende hulpmiddelen open

 

Werken er in uw bedrijf ook mensen met een langdurige arbeidsbeperking? Of wilt u iemand met een arbeidsbeperking wel in dienst nemen, maar ontbreken de (financiële) middelen? Maak dan gebruik van de Subsidie Inclusiviteitstechnologie. Deze subsidie is bedoeld voor werkgevers in het mkb die investeren in technologie die mensen met een langdurige arbeidsbeperking ondersteunt tijdens hun werk of bij het vinden van werk. U kunt subsidie krijgen tot 50% van uw investeringskosten met een maximum van € 25.000 per bedrijf. Ook zijn de kosten voor advies en voor de implementatie van de technologie subsidiabel tot een bedrag van € 1.000. Het aanvraagloket voor het tweede tijdvak van deze subsidie is op 5 januari jl. opengegaan. Het loket is open tot en met 29 mei 2026, 17:00 uur

 

Verdubbeling beslistermijn WIA-beoordeling

 

Het UWV slaagt er al enige tijd niet in om binnen de gestelde beslistermijn van acht weken mensen die mogelijk arbeidsongeschikt zijn duidelijkheid te geven. Daarom is sinds 1 januari 2026 de beslistermijn voor WIA-beoordelingen en herbeoordelingen tijdelijk verlengd naar zestien weken. Mensen moeten daardoor dus langer wachten voordat zij weten of zij in aanmerking komen voor een uitkering. De verlenging zal pas vervallen, zodra de achterstanden bij de beoordelingen zijn verminderd en er meer verzekeringsartsen zijn.

De verlenging zal ertoe leiden dat het UWV minder dwangsommen zal hoeven te betalen vanwege overschrijding van de beslistermijn.

 

Wijziging uitzend-cao leidt tot hogere kosten

 

Werkgevers die veel gebruikmaken van de diensten van uitzendbureaus krijgen te maken met meer administratieve rompslomp en waarschijnlijk hogere kosten. Per 1 januari 2026 is namelijk de cao voor uitzendkrachten drastisch gewijzigd: de inlenersbeloning is afgeschaft en vervangen door een systeem van gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden. Uitzendkrachten moeten een arbeidsvoorwaardenpakket krijgen dat gelijkwaardig is aan dat van vaste werknemers in dezelfde functie bij de opdrachtgever. De beloning hoeft dus niet exact gelijk te zijn, maar de totale waarde van het arbeidsvoorwaardenpakket moet minimaal gelijkwaardig zijn aan dat van medewerkers in dienst van de opdrachtgever in eenzelfde of vergelijkbare functie. Ook wordt de pensioenopbouw versterkt, waardoor de pensioenpremie stijgt voor u als werkgever. De reserveringssystematiek voor vakantie en verlof is vervallen, waardoor vakantiebijslag en feestdagen de regels van de inlener volgen.

 

KostenstijgingenDe wijzigingen in de uitzend-cao maken de administratieve verwerking een stuk ingewikkelder voor inleners en uitzendbureaus, vooral bij het waarderen en toetsen van vergoedingen. Met name voor kleine uitzendbureaus is het verplicht moeten volgen van de verschillende cao’s en andere arbeidsvoorwaardelijke regelingen een behoorlijke verzwaring van de regeldruk. Dit werkt prijsverhogend. De kosten voor de inhuur van uitzendkrachten stijgen waarschijnlijk gemiddeld met 5% voor de normale uren. Voor toeslagen kan dit oplopen tot wel 17%, afhankelijk van de sector. Gespecialiseerde salarisverwerkers kunnen hier uitkomst bieden.

 

AOW-leeftijd ongewijzigd

 

De AOW-leeftijd blijft 67 jaar tot en met 2027. In periode 2028 tot en met 2030 is de AOW-leeftijd vastgesteld op 67 jaar en 3 maanden. In november 2025 is beslist dat de AOW-leeftijd ook in 2031 niet verder zal worden verhoogd. De AOW-leeftijd is gekoppeld aan de levensverwachting en wordt 5 jaar voor de ingangsdatum bekendgemaakt.

 

 

Startpunten voor elke belastingbetaler

 

Minder inflatiecorrectie in de inkomstenbelasting

 

Dit jaar wordt de hogere inflatie slechts beperkt gecompenseerd in de belastingschijven en heffingskortingen. Dit betekent dat u eerder in een hogere belastingschijf kunt komen en dat de heffingskortingen minder zijn verhoogd.

Het tarief van de eerste schijf van de inkomstenbelasting (tot belastbaar inkomen van € 38.883) is vastgesteld op 35,75% (in 2025: 35,82%) en de tweede schijf op 37,56% (in 2025: 37,48%). Het toptarief blijft 49,50%. Laatstgenoemd tarief geldt voor belastbaar inkomen in box 1 vanaf € 78.426 (in 2025: € 76.817).

 

Gevolgen voor aftrekposten

Bedraagt uw inkomen over 2026 meer dan € 38.883? Dan kunt u de aftrekposten, waaronder de hypotheekrente, tegen een tarief van 37,56% in mindering brengen op uw box-1-inkomen. Maar bedraagt dat inkomen € 38.883 of minder? In dat geval kunt u de aftrekposten slechts tegen een tarief van 35,75% in mindering brengen op uw box-1-inkomen.

 

Let op

Betaalde lijfrentepremies en premies voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen vallen niet onder deze aftrekbeperking. Die mag u aftrekken tegen het hoge IB-tarief van 49,5%, voor zover u inkomen heeft in de hoogste tariefschijf (vanaf € 78.426).

 

Eigenwoningforfait 2026

 

Het eigenwoningforfait is 0,35% gebleven. Dit percentage is van toepassing op woningen met een WOZ-waarde tot € 1.335.000 (in 2025: € 1.330.000). Het forfait voor woningen met een WOZ-waarde van € 1.335.000 of meer blijft gelijk: 2,35%. U bent dit forfait alleen verschuldigd voor de WOZ-waarde boven € 1.335.000.

 

Meer algemene heffingskorting

 

De maximale algemene heffingskorting gaat omhoog van € 3.068 naar € 3.115. Het afbouwbouwpunt van deze maximumkorting begint bij een inkomen vanaf € 29.736 (in 2025: € 28.406). Let op: voor de afbouw is sinds vorig jaar niet alleen het box-1-inkomen relevant, maar tellen hiervoor ook het box-2- en box-3-inkomen mee. Heeft u dus ook inkomen in box 2 en/of 3, dan wordt de algemene heffingskorting sneller afgebouwd.

 

 

Snellere afbouw Hillen-aftrek

 

De regeling waarbij u geen eigenwoningforfait hoeft bij te tellen bij uw inkomen als u geen of slechts een kleine hypotheek heeft, de zogenoemde Hillen-aftrek, wordt stapsgewijs afgebouwd. Tot en met 2025 werd de aftrek jaarlijks met 3,33% verlaagd. Daarin is vanaf 2026 verandering gekomen. De aftrek wordt versneld afgebouwd met 4,8% per jaar. De aftrek bedraagt dan in 2026 nog 71,867%. Door de versnelde afbouw is de Hillen-aftrek al in 2041 afgebouwd in plaats van in 2048.

 

Gewijzigde arbeidskorting voor deeltijdwerkers

 

De maximale arbeidskorting bedraagt € 5.685 (in 2025: € 5.599) bij een inkomen van € 45.592 (in 2025: € 43.071). De arbeidskorting kent een opbouw- en een afbouwtraject en heeft daarom verschillende inkomensgrenzen en daarmee samenhangende bedragen. In 2026 krijgt u tot een inkomen van € 45.592 steeds meer arbeidskorting. Daarboven wordt de arbeidskorting met 6,51% afgebouwd.

De koopkrachtmaatregelen en de reguliere indexatie van de arbeidskorting hadden nadelige gevolgen voor deeltijdwerkers die op jaarbasis minder verdienen dan het minimumloon. Daarom zijn de eerste en tweede inkomensgrens verlaagd, zodat zij in 2026 meer arbeidskorting krijgen dan eerst was berekend in het Belastingplan 2026. De eerste inkomensgrens ligt nu bij € 11.965 (was: € 12.739) en de tweede inkomensgrens ligt nu bij € 25.845 (was: 27.519). De maximale arbeidskorting bij de eerste inkomensgrens ligt bij € 996 (in 2025: 980) en bij € 5.300 (in 2025: 5.220) bij de tweede inkomensgrens.

 

Box-3-wijzigingen

 

In elk geval tot en met 2027 wordt de box-3-heffing berekend aan de hand van forfaitaire rendementspercentages voor de drie categorieën ‘bank- en spaartegoeden’, ‘overige bezittingen’ en ‘schulden’. Voor 2025 is het forfaitaire percentage voor de ‘overige bezittingen’ vastgesteld op 6%. Voor de ‘bank- en spaartegoeden’ en de ‘schulden’ zijn de forfaitaire rendementspercentages voorlopig vastgesteld op 1,28% respectievelijk 2,70%. Deze percentages worden pas in 2027 definitief vastgesteld.

U heeft wel de mogelijkheid om box-3-heffing terug te vragen als het werkelijke rendement over uw gehele vermogen aantoonbaar lager is dan het forfaitaire rendement. Dit tegenbewijs levert u tot en met de IB-aangifte 2025 aan bij de Belastingdienst met het digitale Opgaaf werkelijk rendement-formulier (OWR-formulier). Vanaf 2026 kunt u dit tegenbewijs leveren via het aangiftebiljet inkomstenbelasting.

 

Let op

Tot het werkelijk rendement van uw box-3-vermogen behoort vanaf 2026 ook de werkelijke waarde van het eigen gebruik van een onroerende zaak. U berekent deze waarde op basis van de huurprijs die bij verhuur onder normale omstandigheden bedongen kan worden. Daarbij mag u uitgaan van 5,06% van de WOZ-waarde.

 

Tarief en heffingvrij vermogen

Het tarief van box 3 is 36% gebleven. Het deel van uw vermogen waarover u geen box-3-heffing hoeft te betalen, het heffingvrije vermogen, bedraagt per 1 januari 2026 € 59.357 per belastingplichtige (fiscale partners: € 118.714).

 

Meer IACK

 

De inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) bedraagt in 2026 maximaal € 3.032. Als u werkt en een kind heeft in de leeftijd tot 12 jaar, kunt u in aanmerking komen voor de IACK. Dat is het geval als u geen fiscale partner hebt of als u die wel heeft maar uw arbeidsinkomen lager is dan dat van uw partner. De hoogte van de korting hangt af van uw arbeidsinkomen. Dat moet in 2026 minimaal € 6.239 bedragen. De IACK bedraagt 11,45% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer beloopt dan € 6.239. De maximum IACK bereikt u bij een arbeidsinkomen van € 32.720 (in 2025: € 32.224).

Bij co-ouderschap kunt u als ouders allebei voor de IACK in aanmerking komen als het kind ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van uw huishoudens verblijft in een doorgaans repeterend ritme. Het is sinds vorig jaar niet meer vereist dat uw kind op uw woonadres staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Het is voldoende dat het kind tot uw huishouden behoort. De maximale IACK wordt vanaf 2027 in 9 stappen afgebouwd.

 

Ouderenkorting(en) iets verhoogd

 

De ouderenkorting is een heffingskorting voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. De maximale ouderenkorting is verhoogd van € 2.035 naar € 2.067. U krijgt de maximale ouderenkorting bij een verzamelinkomen tot en met € 46.002. Daarboven wordt de korting afgebouwd met 15%, waardoor u bij een verzamelinkomen van € € 59.782 (in 2025: € 58.875) geen ouderenkorting meer krijgt.

Bent u een alleenstaande oudere? Dan heeft u bovendien recht op de alleenstaandeouderenkorting van € 540 (in 2025: € 531).

 

Laat voorlopige aanslag Inkomstenbelasting controleren

 

Eind vorig jaar zijn de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2026 (IB 2026) opgelegd. De voorlopige aanslagen worden normaliter berekend aan de hand van de parameterwaarden die uiterlijk op 14 november van het voorafgaande jaar bekend moeten zijn bij de Belastingdienst. Vorig jaar is dit niet gelukt in verband met de verkiezingen. De stemming in de Tweede Kamer over het Belastingpakket 2026 vond immers pas eind november plaats. Daarom zijn de voorlopige aanslagen IB 2026 berekend op grond van de parameterwaarden die op Prinsjesdag 2025 bekend waren. De behandeling in de Tweede Kamer van het Belastingpakket 2026 heeft geleid tot wijzigingen in de parameters. De verschillen in de parameters zullen in de definitieve aanslagen worden rechtgetrokken. Extra reden om de aanslag IB 2026 goed te laten controleren.

 

Voorkom belastingrente betalen

De belastingrente voor de inkomstenbelasting is verlaagd van 6,5% naar 5%. U kunt met belastingrente te maken krijgen, als u inkomstenbelasting moet bijbetalen. Dit kunt u voorkomen door een reële inschatting te (laten) maken van de verschuldigde inkomstenbelasting en uw voorlopige aanslag daarop te laten aanpassen. De eindafrekening met de Belastingdienst vindt plaats na afloop van het jaar, wanneer u de aangifte inkomstenbelasting heeft ingediend. Heeft u dan te weinig inkomstenbelasting betaald of juist te veel teruggaaf gehad, dan moet u die belasting alsnog betalen, verhoogd met belastingrente. Verwacht u een wijziging in uw inkomen of in uw privéomstandigheden? Laat dan je voorlopige aanslag of teruggaaf 2026 zo nodig aanpassen.

 

Inkomensverklaring kwalificerende buitenlands belastingplichtige voortaan alleen op verzoek

 

Woont u in een andere EU-lidstaat of EER-staat (Noorwegen, Liechtenstein of IJsland), Zwitserland of  op een van de BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) en wordt ten minste 90% van uw wereldinkomen belast in Nederland? In dat geval kunt u in Nederland worden aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige (KBB-regeling). Het voordeel van de KBB-regeling is dat u op vrijwel dezelfde wijze gebruik kunt maken van de aftrekmogelijkheden in de inkomstenbelasting als een binnenlands belastingplichtige in Nederland. Voorwaarde bij deze regeling was dat u van de belastingautoriteit van uw woonland een inkomensverklaring moest kunnen overleggen. Dat was niet altijd eenvoudig. Vanaf 2026 hoeft u daarom alleen een inkomensverklaring te overleggen op verzoek van de inspecteur van de Belastingdienst. Als de inspecteur daarvan afziet, kunt u dus ook op andere wijze aannemelijk maken dat u aan de voorwaarden van de KBB-regeling voldoet.

 

Meer tijd voor aankoop lijfrente

 

Komt uw lijfrentepolis tot uitkering? Dan mag u er langer over doen dan voorheen om te beslissen wat u met het vrijgekomen kapitaal gaat doen. Vanaf 2026 telt namelijk alleen nog maar dat de eerste lijfrentetermijn moet zijn uitgekeerd op 31 december van het jaar waarin u de AOW-leeftijd plus vijf jaar bereikt. Tot 31 december 2025 moest u dit beslissen vóór 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin uw lijfrentepolis tot uitkering was gekomen. Ingeval van overlijden was deze termijn 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het overlijden.

 

Tip

Bent u te laat, dan wordt uw vrijgekomen lijfrentekapitaal als zijnde afkoop in zijn geheel in de belastingheffing betrokken. Zorg er daarom voor dat u de einddata van lijfrentecontracten goed vastlegt, zodat u precies weet wanneer u uiterlijk actie moet ondernemen.

 

Nog één keer vrijstelling groenbeleggen

 

Groenbeleggers kunnen in 2026 waarschijnlijk voor het laatst gebruikmaken van de vrijstelling in box 3 en de extra heffingskorting van 0,1% van het vrijgestelde bedrag in box 3. In 2026 bedraagt de vrijstelling € 26.715 per belastingplichtige (fiscale partners: € 53.430). De vrijstelling groene beleggingen wordt op 1 januari 2027 verlaagd tot € 200 per belastingplichtige (fiscale partners € 400) en op 1 januari 2028 afgeschaft. Wellicht dat een nieuw kabinet hier nog verandering in zal brengen.

 

Invorderingsrente verhoogd

 

De invorderingsrente is verhoogd van 4% naar 4,3%. U betaalt invorderingsrente als u na de uiterste betaaldatum van de belastingaanslag nog een bedrag moet betalen. Dit geldt ook als u uitstel van betaling heeft gekregen en u de belastingaanslag in termijnen mag betalen. U betaalt de invorderingsrente over elke termijn dat u betaalt na de uiterste datum. Zorg dus dat u de aanslag(termijnen) tijdig betaalt!

 

Gewijzigde schenkingsvrijstellingen

 

Heeft u vorig jaar maximaal € 6.713 aan uw kind geschonken? Dan hoeft uw kind geen aangiftebiljet voor de schenkbelasting in te dienen. Als u meer heeft geschonken, moet uw kind over het meerdere schenkbelasting betalen. In dat geval moet hij of zij uiterlijk vóór 1 maart 2026 een aangiftebiljet voor de schenkbelasting hebben ingediend. In 2026 bedraagt het maximale bedrag, waarvoor bij een schenking van ouder aan kind geen schenkingsaangifte hoeft te worden gedaan € 6.908 per kind.

Naast de jaarlijkse schenking kunt u uw kinderen (of hun partners) als zij ouder zijn dan 18 en jonger dan 40 jaar, ook eenmalig een hoger bedrag vrijgesteld schenken. In 2025 bedroeg deze vrij besteedbare schenking € 32.195. Deze vrijstelling is in 2026 verhoogd naar € 33.129. Daarnaast kunt u aan deze kinderen – in plaats van de eenmalig verhoogde schenking – ook een extra verhoogde vrijgestelde schenking doen. In 2025 bedroeg deze vrijstelling € 67.064. De vrijstelling is dit jaar verhoogd naar € 69.009. Deze schenking is niet vrij besteedbaar, maar moet worden gebruikt voor een dure studie. Bovendien heeft u hiervoor een notariële schenkingsakte nodig. Heeft u uw kinderen in 2025 een van deze schenkingen gedaan? Dan moeten zij vóór 1 maart 2026 schenkingsaangifte doen, waarin zij de vrijstelling claimen.

 

Aanpak breukdelengemeenschap

 

Bent u getrouwd in gemeenschap van goederen? Dan bent u en uw partner ieder gerechtigd tot de helft van de gemeenschap (50%). Bij een geregistreerd partnerschap is dit ook zo. Soms is het wenselijk om de breukdelen aan te passen naar een andere verdeling dan 50% - 50%. Als dit gebeurt in het zicht van overlijden, levert dit vaak een besparing van erfbelasting op. Door de aanpassing van de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap daalt immers de verwachte nalatenschap van de echtgenoot die vermoedelijk het eerst overlijdt. Volgens vaste rechtspraak is er bij aanpassing van de breukdelen geen sprake van een vermogensverschuiving, en dus een schenking, aangezien het nog onzeker is of de verschuiving zich echt zal voordoen. De Hoge Raad heeft wel bepaald dat dit anders is als de wijziging plaatsvindt als zo goed als zeker is dat een van beide echtgenoten komt te overlijden. Maar de Raad heeft ook beslist dat bij het aanpassen van de breukdelen alleen in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van belastbaarheid. Hierdoor werd het in de praktijk vrijwel onmogelijk voor de Belastingdienst om dergelijke erfbelasting besparende constructies te bestrijden.

 

Wijziging per 1 januari 2026

Daarom is vanaf 2026 schenk- of erfbelasting verschuldigd bij ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap met ongelijke breukdelen (of op grond van een verrekenbeding). Dit geldt zowel voor een gemeenschap van goederen tussen echtgenoten als voor een gemeenschap van goederen tussen geregistreerde partners. Met ongelijke breukdelen wordt in dit verband bedoeld een ander breukdeel dan beiden de helft (50%). De maatregel is niet van toepassing op verkrijgingen op grond van huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan vóór 18 april 2025 en evenmin op verkrijgingen op grond van een notarieel samenlevingscontract vóór 18 april 2025.

 

Overige wijzigingen in de schenk- en erfbelasting

 

Naast de aanpak van de zogenoemde ‘breukdelengemeenschap’ worden er nog enkele andere wijzigingen in de schenk- en erfbelasting doorgevoerd. Zo wordt de aangiftetermijn voor de erfbelasting verlengd van 8 naar 20 maanden. De termijn voor de berekening van de belastingrente begint ook pas na 20 maanden te lopen.

 

Geen 180-dagenregel meerDe schenking binnen 180 dagen vóór overlijden wordt niet meer als schenking aangemerkt. Hierdoor vervalt de verplichting om aangifte schenkbelasting te doen. Tot 2026 was deze schenking bij fictie ook belast met erfbelasting, waardoor u zowel aangifte schenkbelasting als aangifte erfbelasting moest doen. De schenkbelasting werd vervolgens verrekend met de erfbelasting. Vanaf 2026 bent u alleen nog erfbelasting verschuldigd over de schenking binnen 180 dagen vóór overlijden.

 

Start leegstandsheffing

 

Sinds 1 januari jl. kunnen gemeenten een leegstandsheffing opleggen aan vastgoedeigenaren die woningen langer dan een jaar leeg laten staan. Zij kunnen deze heffing inzetten als prikkel voor woningeigenaren om leegstaande woningen te gaan verhuren of verkopen, zodat het woningaanbod toeneemt. Gemeenten mogen zelf bepalen hoe hoog de heffing moet zijn. Dat kan een vast bedrag zijn of een oplopende heffing, bijvoorbeeld gebaseerd op de WOZ-waarde. Voorlopig geldt de leegstandsheffing alleen voor woningen. Dit kan later uitgebreid worden naar andere onroerende zaken.

 

Check uw recht op zorgtoeslag

 

Bent u 18 jaar of ouder en heeft u een Nederlandse zorgverzekering? Dan heeft u mogelijk recht op de zorgtoeslag. In 2026 bedraagt deze toeslag maximaal € 129 per maand als u alleenstaand bent of € 246 per maand als u een toeslagpartner heeft. De bedragen zijn iets lager dan vorig jaar. Naast de genoemde voorwaarden moet u ook voldoen aan een inkomenseis en een vermogenseis. Heeft u geen toeslagpartner? Dan mag uw inkomen niet hoger zijn dan € 40.857 (in 2025: € 39.719). Heeft u wel een toeslagpartner, dan ligt de inkomensgrens bij € 51.142 (in 2025: € 50.206) voor u samen. Daarnaast mag u op 1 januari 2026 ook niet te veel vermogen hebben. De vermogensgrens voor de zorgtoeslag per 1 januari 2026 is verhoogd tot € 146.011 (in 2024: € 141.896) voor een alleenstaande en tot € 184.633 (in 2024: € 179.429) als u een toeslagpartner heeft.

 

Tip

U kunt ook in aanmerking komen voor de zorgtoeslag als u met een inkomensdaling te maken heeft gehad, bijvoorbeeld doordat u minder bent gaan werken of door een echtscheiding. Check of u zorgtoeslag kunt krijgen, maak een proefberekening en verminder de premielast van uw zorgverzekering. 

 

Meer kinderopvangtoeslag voor middeninkomens

 

De maximum uurprijzen voor de kinderopvangtoeslag bedragen in 2026 € 11,23 (in 2025: € 10,71) voor dagopvang, € 9,98 (in 2025: € 9,52) voor buitenschoolse opvang en € 8,49 (in 2025: € 8,10) voor gastouderopvang. Per kind kunt u voor maximaal 230 uur per maand kinderopvangtoeslag krijgen. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van het toetsingsinkomen. De toetsingsinkomens worden in 2026 ook verhoogd, zodat met name de middeninkomens weer meer kinderopvangtoeslag krijgen. In 2026 hebben werkende ouders tot en met een toetsingsinkomen van € 56.412 (in 2025: € 47.403) recht op het maximale vergoedingspercentage van 96% voor de opvangkosten voor het eerste kind. Daarnaast wordt het minimale vergoedingspercentage verhoogd van 33,3% tot 36,5% voor werkende ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 165.658 (in 2025: € 159.225). Ook wordt het verschil tussen de vergoedingspercentages voor het eerste en het tweede en volgende kind weer kleiner. 

 

Hoger kindgebonden budget 

 

Het kindgebonden budget is in 2026 verhoogd. In tegenstelling tot de kinderbijslag is het kindgebonden budget inkomensafhankelijk. Naast het inkomen van u en uw eventuele partner is hiervoor ook van belang het aantal kinderen en de leeftijd die zij hebben. Heeft u een partner? Dan krijgt u tot een gezamenlijk inkomen van € 39.141 het maximale bedrag. Dat is € 2.573 per kind. Is uw kind tussen 12 en 15 jaar oud, dan krijgt u voor dit kind daarnaast maximaal € 722 extra. Is uw kind 16 of 17 jaar oud? Dan bedraagt de extra verhoging voor dat kind maximaal € 961. Bij een hoger inkomen dan genoemde inkomensgrens wordt het kindgebonden budget afgebouwd: per € 100 meer inkomen wordt het kindgebonden budget € 7,60 lager. Daarnaast mag ook het gezamenlijke vermogen niet te hoog zijn: maximaal € 184.633 voor u en uw partner samen.

 

Extra aanvulling alleenstaande ouder

Bent u een alleenstaande ouder? Dan geldt een inkomensgrens van € 29.736 en een vermogensgrens van € 146.011. Heeft u een kind tussen 12 en 17 jaar oud? Dan heeft u recht op een aanvullende vergoeding van maximaal € 3.407. Deze aanvulling neemt af naarmate u meer inkomen heeft.

 

Huurtoeslag voor meer mensen

 

Eind 2024 is er al een werstvoorstel aangenomen om de huurtoeslag te vereenvoudigen. Daarvan zijn de maatregelen op 1 januari 2026 in werking getreden. Zo telt alleen de kale huur voor de berekening van de huurtoeslag, dus zonder servicekosten. Denk aan schoonmaak- en energiekosten voor gemeenschappelijke ruimten, kosten voor een huismeester en kosten voor dienst- en recreatieruimten. Daarnaast is er geen maximale huurgrens meer als voorwaarde om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Ook huurders die voorheen qua inkomen recht hadden op huurtoeslag, maar dit niet kregen vanwege een huur boven de huurgrens, komen daardoor nu ook in aanmerking voor huurtoeslag. Let op: voor de berekening van de hoogte van de huurtoeslag is de maximale huurgrens nog wel van belang. Is uw huur hoger dan de maximale huurgrens, dan krijgt u voor het deel boven de huurgrens geen toeslag. De huurgrens bedraagt in 2026 € 932,93 (in 2025: € 900,07). Bent u jonger dan 21 jaar (in 2025: 23 jaar!)? Dan is de huurgrens € 498,20 (in 2025: € 477,20).

 

Inkomens- en vermogensgrens?

Ook uw inkomen en uw vermogen beperken uw huurtoeslag. Er is geen vaste inkomensgrens, maar als uw inkomen stijgt, daalt uw huurtoeslag voortaan geleidelijk en komt niet meer plotseling te vervallen. Er is wel een vaste vermogensgrens. U mag op 1 januari 2026 niet meer vermogen hebben dan € 38.479 (in 2025: € 37.395). Heeft u een toeslagpartner, dan ligt de vermogensgrens bij € 76.958 (in 2025: € 74.790). Ook het vermogen van een medebewoner telt mee en mag niet hoger zijn dan € 38.479. U én de medebewoner moeten allebei minder dan dit bedrag aan vermogen hebben. De vermogensgrens die geldt voor een toeslagpartner geldt dus niet voor een medebewoner. 

Wilt u zeker weten of u recht heeft op huurtoeslag? Maak dan eerst een proefberekening op de website van de Belastingdienst.

 

Let op

Staat uw echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner niet op uw adres ingeschreven? Dan telt zijn of haar vermogen niet mee voor de huurtoeslag, maar wel voor de andere toeslagen.

 

Brandstofaccijnskorting toch verlaagd

 

Op 1 april 2023 is de accijns op brandstof verlaagd met 21%. Hierdoor daalde het accijnstarief op benzine met 17,3 eurocent per liter en dat van diesel met 11,1 eurocent per liter. Dit kwam neer op een verlaging van € 9,42 per tank benzine en € 6,04 per tank diesel (uitgaande van ca. 55 liter). Ook de accijns op LPG (waaronder vloeibare propaan en butaan) en LNG werd met 4,4 eurocent per liter verlaagd. Deze accijnsverlagingen zijn al een aantal keren verlengd en ook in het Belastingplan 2026 was in een verlenging voorzien. Maar uiteindelijk liep het anders en is ervoor gekozen om slechts een deel van deze accijnskorting te handhaven. Het andere deel wordt nu besteed aan het openbaar vervoer, zodat de voorgenomen versobering daar niet hoeft door te gaan. De accijnskorting op benzine wordt nu 15,7 cent per liter (was: 21,3 cent), 10,2 cent voor diesel (was: 13,8 cent) en 3,7 cent per liter LPG/LNG (was: 5 cent).

 

Minder korting MRB elektrische auto

 

Tot en met 2024 betaalde u geen motorrijtuigenbelasting (MRB) voor uw elektrische personenauto. Vorig jaar kreeg u een korting van 75% op de MRB. Vanaf 2026 krijgt u aanmerkelijk minder korting, namelijk 30%. U betaalt nu dus 70% MRB in plaats van 25%. De korting voor de elektrische auto blijft 30% tot en met 2028. In 2029 wordt de korting 25%. De tariefkorting werkt ook door in de provinciale opcenten. Personenauto’s met een CO2-uitstoot van 1 tot en met 50 gram per kilometer betalen het volledige MRB-tarief vanaf het eerste volledige tijdvak van 3 maanden in 2026.

 

 

 

In deze uitgave is de stand van zaken in wet- en regelgeving verwerkt tot en met 1 januari 2026. Hoewel ten aanzien van de inhoud de uiterste zorg is nagestreefd, kan niet volledig worden ingestaan voor eventuele (druk)fouten en onvolledigheden. De redactie, de uitgever en de verspreider sluiten bij deze de aansprakelijkheid hiervoor uit. Voor een toelichting kunt u altijd contact met ons opnemen. 

 
 
 

Opmerkingen


Archief
bottom of page